De voedingsmiddelenindustrie is kwetsbaar voor stijgende energie- en brandstofprijzen en nog erg afhankelijk van fossiele energiebronnen. De oorlog met Iran benadrukt dit opnieuw, concludeert ABN AMRO naar aanleiding van hun nieuwe sectoronderzoek.
Aardgasverbruik terugdringen
Aardgas is met circa 70 procent nog de belangrijkste energiebron in de totale energiemix van de voedingsmiddelenindustrie. De sector heeft het energieverbruik met 5,5 procent weten terug te brengen sinds de energiecrisis van 2022. Dit is de helft ten opzichte van het gemiddelde van de Nederlandse economie.
Op de korte termijn zijn bedrijven deels beschermd tegen hogere gas- en elektriciteitsprijzen doordat zij risico’s hebben afgedekt met een mix aan langlopende energiecontracten. Wanneer deze echter later dit jaar aflopen, wordt de sector alsnog geconfronteerd met hogere energieprijzen.
De sector probeert echter al langer in te zetten op energiebesparingen en elektrificatie om het aardgasverbruik terug te dringen. Het aardgasverbruik is, gecorrigeerd voor productievolumes, met 8 procent afgenomen. Het elektriciteitsverbruik, gecorrigeerd voor de daling in productievolumes, nam juist met 12 procent toe.
Gas versus stroom
Bedrijven die hebben geïnvesteerd in verduurzaming en elektrificatie hebben tijdens deze energiecrisis een competitief voordeel ten opzichte van bedrijven die dat niet hebben gedaan, stelt ABN AMRO. Allereerst doordat zij minder energie verbruiken. Daarnaast is de koppeling tussen de gas- en elektriciteitsprijzen in 2026 veel minder sterk dan tijdens de energiecrisis van 2022. Europa heeft namelijk geïnvesteerd in het opwekken van duurzame energie, energiebesparende technieken en diversificatie van gastoevoer en -opslag via onder andere LNG. De prijs voor elektriciteit is daardoor fors lager dan voor aardgas. Bedrijven die hebben geëlektrificeerd weten daarom nu te profiteren van de relatief lagere stroomprijzen.
Het aardgasverbruik is afhankelijk van het bewerkingsproces en verschilt per sector aanzienlijk. De meelindustrie heeft haar aardgasverbruik met 24 procent weten terug te dringen over de periode 2021 –2024, desalniettemin blijft ze voor 89 procent afhankelijk van aardgas. Slachterijen daarentegen kennen met 42 procent een relatief lage afhankelijkheid van aardgas en hebben gezamenlijk een aardgasreductie van 9 procent behaald.
Energie-intensieve processen
Toch stokt de transitie naar elektriciteit en duurzame warmtebronnen binnen de sector ten opzichte van de Nederlandse economie als geheel. Dit komt doordat de voedingsmiddelenindustrie aardgas voornamelijk gebruikt voor stoom- en warmteproductie die nodig is voor verschillende voedselverwerkings- en reinigingsprocessen. Het opwekken van die warmte stoom vereist heel hoge temperaturen.
Verwerkingsprocessen boven de 100 ℃ zoals pasteuriseren, verdampen en drogen (250℃) van voedsel zijn technisch gezien lastig te elektrificeren. Waterstof kan vanuit technisch perspectief een alternatief bieden, maar is economisch niet rendabel, stelt ABN AMRO.
Verwerkingsprocessen met lage temperaturen kunnen relatief goed vervangen worden door bijvoorbeeld geothermie of restwarmte. Maar de beschikbaarheid van deze alternatieven is zeer beperkt en locatieafhankelijk.
Elektrificatie via een e-boiler of warmtepomp is wel een optie. Zo implementeerden FrieslandCampina en Arla Foods beide vorig jaar een e-boiler. Wel vraagt zo’n investering om grote hoeveelheden elektriciteit een netcongestie is daarbij een groot obstakel. Bedrijven die willen elektrificeren kunnen niet de benodigde aansluiting of verzwaring van bestaande aansluiting krijgen.
Terugverdientijd
Tot slot is de financieringsstructuur in de sector een obstakel. Het is gebruikelijk om slechts eens in de tien tot twintig jaar in nieuwe machines te investeren. Duurzame alternatieven kennen vaak een langere terugverdientijd dan conventionele aardgas- installaties, onder andere doordat de aardgas infrastructuur al aanwezig is, duurzame opties duurder en technisch minder robuust zijn.
Bedrijven moeten afzetgaranties voor een lange termijn hebben om voor duurzame alternatieven te kunnen kiezen, stelt ABN AMRO. De realiteit is echter dat bedrijven afzetcontracten vaak slechts voor een of twee jaar afsluiten. Financieringsmogelijkheden voor duurzame alternatieven zijn daardoor beperkt, ondanks de potentiële kostenbesparing en emissiereductie op de lange termijn.